Een bestuursorgaan kan op basis van artikel 3 Wet Bibob een beschikking weigeren of intrekken, voorzover hij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid heeft gekregen, wanneer:
1. er sprake is van ernstig gevaar dat de beschikking mede gebruikt zal worden voor:
a. het benutten van voordelen uit strafbare feiten
b. het plegen van strafbare feiten
2. een redelijk vermoeden bestaat dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd (bijvoorbeeld valsheid in geschriften, bedreiging of omkoping).
In het kader van de Wet Bibob onderzoekt de gemeente eerst zelf of van bovengenoemde situatie sprake is: de zogenoemde Bibob-intake en Bibob-screening. Dit onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van: - de door de aanvrager of houder van de vergunning beantwoorde vragen die zijn opgenomen in het voorgeschreven aanvraagformulier;
- de door hem aangeleverde documenten die moeten worden meegestuurd op grond van het voorgeschreven aanvraagformulier;
- eventuele extra, op verzoek van het bestuursorgaan overgelegde documenten of informatie;
- onderzoek van open bronnen (zoals Kamer van Koophandel, Kadaster enz.).
Los van de Wet Bibob kan de gemeente de ondernemer bij de aanvraag verplichten bepaalde gegevens te overleggen om schijnconstructies te voorkomen, zoals een overzicht van investeringen ten aanzien van de onderneming en schriftelijke bewijzen van eigen vermogen en eventuele kredietovereenkomsten in verband met de financiering van de onderneming. De gemeente zal naast de Wet Bibob ook de reguliere weigerings- of intrekkingsgronden onderzoeken en toepassen.
Aan het bestuursorgaan op basis van het eigen onderzoek in het kader van de Wet Bibob genoeg aanwijzingen heeft dat om in redelijkheid te kunnen aantonen dat er sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in de Wet Bibob, kan het de vergunning weigeren of intrekken.
Wanneer het standaardvragenformulier (inclusief de vragen van art. 30 Wet Bibob) niet volledig wordt ingevuld, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gesteld. In geval van een bestaande vergunning wordt het niet invullen van deze formulieren op grond van artikel 4 Wet Bibob aangemerkt als ernstig gevaar. Hierdoor kan het bestuursorgaan de vergunning intrekken.
Het doel dat de gemeente voor ogen staat bij de inzet van het Bibob-instrumentarium is:
- het tegengaan van de aantasting van de leefbaarheid en veiligheid in de stad,
- het tegengaan van de aantasting van de rechtsorde en de bestuurlijke slagkracht,
- het tegengaan van de verloedering door de aanwezigheid van criminaliteit, - het verminderen van de subjectieve gevoelens van onveiligheid.
Vanuit dit doel zijn keuzes gemaakt voor de inzet van het Bibob-instrumentarium. Daarbij is tevens betrokken dat sommige branches gevoeliger zijn dan andere. Bovendien is het uit capacitaire overwegingen niet haalbaar om alle aanvragen voor horeca-inrichtingen aan een Bibob-intake te onderwerpen. Voor de toepassing van de Wet Bibob op andere dan de hier genoemde sectoren wordt thans nog geen beleid vastgesteld. Op basis van de ervaringen met bovengenoemde vergunningen kan ook voor deze andere sectoren Bibob-beleid worden ontwikkeld. Opgemerkt wordt hierbij dat de aanwijzing van bovengenoemde sectoren geenszins betekent dat de gemeente zich verplicht de toepassing van het Bibob-instrumentarium hiertoe te beperken. De gemeente kan, al dan niet nadat eerst een 'normale' intake heeft plaatsgevonden, altijd besluiten tot de inzet van de Wet Bibob op andere sectoren dan de bovenstaande, indien daartoe aanleiding is en mits de wet dit toelaat.
Op grond van bovenstaande overwegingen zijn de volgende keuzes gemaakt voor de inzet van het Bibob-instrumentarium.
Paragraaf 2
Artikel 2.1
Algemeen
Onderdeel van Beleidslijn Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur