1 Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van:
a de weigering van het bevoegd gezag een vergunning tot wijziging, afbraak of verwijdering
van een beschermd gemeentelijk monument of een object binnen een gemeentelijk stad- en dorpsgezicht te verlenen als bedoeld in artikel 9 en 21 van deze verordening;
b voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning tot wijziging, afbraak
of verwijdering van een gemeentelijk monument; schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
c de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 9, derde lid.