1. Burgemeester en wethouders verlenen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 31 van de Wet, de vergunning indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders het met de onttrekking, samenvoeging of omzetting gediende belang:
a. groter is dan het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad; en
b. vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van de vergunning niet zal leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft (leefbaarheid van de woonomgeving);
2. Er bestaat uitsluitend grond voor het verlenen van vergunning indien het vigerende bestemmingsplan of een in voorbereiding zijnd ruimtelijk plan zich daartegen niet verzet.
3. Indien burgemeester en wethouders hebben vastgesteld, dat er grond bestaat voor het verlenen van medewerking, wordt de vergunning verleend, indien voldoende compensatie als bedoeld in artikel 19 wordt geboden en overigens aan de door burgemeester en wethouders gestelde voorwaarden is voldaan.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 9
Artikel 18
Criteria voor vergunningverlening
Onderdeel van Huisvestingsverordening Medemblik 2011