Naar hoofdinhoud

Artikel 30

Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet

Onderdeel van Artikelsgewijze toelichting verordening leerlingenvervoertitel

Dit artikel bepaalt dat het college beslist in gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin de verordening niet voorziet. In de verordening zijn de hoofdlijnen van de bekostiging van het leerlingenvervoer vastgelegd. Uiteraard zal zich een aantal concrete gevallen voordoen, waarin de verordening niet voorziet. Te denken valt onder andere aan: varianten van het combinatievervoer (bijvoorbeeld aangepast plus openbaar vervoer); begeleiding tijdens groepsvervoer; gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten; varianten in het gebruik van eigen vervoer. Voor dergelijke en andere situaties waarin de verordening niet voorziet, is in artikel 28 van de verordening bepaald dat het college beslist. Hierbij dient in redelijkheid gehandeld te worden. Uitgangspunt bij deze besluitvorming dient te zijn dat in de geest van de wet en de verordening gehandeld wordt. Het komt voor dat schoolbesturen of een groep ouders een vervoermiddel in eigen beheer gebruiken om de leerlingen naar school te brengen. Van belang daarbij is dat de aansprakelijkheid en het toezicht hierop bij de gemeente blijft. Aansprakelijkheid is immers gekoppeld aan zorgplicht. Voor het vervoer gelden dezelfde eisen als voor vervoersbedrijven. Artikel 31 Afwijken van bepalingen Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders kan afwijken van de bepalingen in de verordening. Dit houdt in dat het college slechts in voor ouders voordelige zin kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid van de WPO, artikel 4, zevende lid, van de WVO en artikel 4, tiende lid, van de WEC. Van een dergelijke afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake zijn indien: een leerling, die niet voor bekostiging van de begeleiding in aanmerking komt, toch - gezien zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap - begeleid moet worden; leerlingen die naar het oordeel van het college gebruik moeten maken van aangepast vervoer, terwijl zij, gezien de criteria, daarvoor niet in aanmerking komen; sprake is van groepsvervoer, georganiseerd door de ouders en het college een daarop geënte bekostiging wil betalen; sprake is van een voor het kind onaanvaardbare onderwijsinhoudelijke dan wel onhoudbare praktische situatie op de dichtstbij gelegen toegankelijke school. Indien daarvan sprake is - de bewijslast daarvan ligt bij de ouders - kan bekostiging volgen van de kosten van vervoer naar een verder gelegen toegankelijke school (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 1992, R03.89.3402/83-107; zie Jur. 9.13; zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 1992, R03.92.3306/P90 en S03.92.2460; zie Jur. 9.1). In haar jurisprudentie heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven inzake de toepassing van de hardheidsclausule te weten: Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard, die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen. De toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld medische, pedagogische en sociale factoren (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 mei 1989, nr. R03.88.7057/Sp347/26-41; zie Jur. 9.3). Via toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de verordening worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag van artikel 23 (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 april 1990 R03.87.7147/58-43; zie Jur. 9.4). Voorts dient erop te worden toegezien dat ter voorkoming van - ongewenste - precedentenwerking de toepassing van de hardheidsclausule wordt onderbouwd met op de specifieke, concrete situatie van ouders van een leerling betrekking hebbende argumenten. Tevens wordt in artikel 29 van de verordening bepaald dat het college zo nodig het advies van de commissie van onderzoek, het advies van de regionale verwijzingscommissie (RVC) of andere deskundigen vraagt. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in 2006 een verzoek afgewezen voor bekostiging van vervoer van een leerling die naar een verderaf gelegen school wilde gaan. Reden van dit verzoek was dat de leerling daar de noodzakelijk medische begeleiding kon krijgen, waarop hij anders twee jaar moet wachten. Het betreffende college vond dat bekostiging van vervoer bedoeld is voor schoolbezoek en niet voor medische behandeling (LJN AZ9034). Artikel 1 van de verordening leerlingenvervoer definieert het begrip ‘vervoer’ als ‘vervoer van en naar school’. Uit de hardheidsclausule blijkt echter onvoldoende of een vergoeding alléén voor schoolbezoek ten behoeve van onderwijs is bedoeld. De clausule kan beperkt worden door beleidsregels voor de uitwerking ervan vast te stellen. Hierin kan opgenomen worden dat de bevoegdheid tot toekenning van vervoerskosten beperkt blijft tot schoolbezoek voor het volgen van onderwijs. Deze beperking kan eventueel ook in de hardheidsclausule zelf worden opgenomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel