Deze verordening kan worden aangehaald als “Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2011 gemeente Voerendaal”.
Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 26 mei2011,
De Voorzitter, De Griffier,
ALGEMENE TOELICHTING
Werk boven inkomen
Het uitgangspunt van werk boven inkomen staat centraal in de WWB, althans ten aanzien van personen jonger dan 65 jaar. Alle inspanningen van betrokkene en de gemeente dienen derhalve te zijn gericht op arbeidsinschakeling. Onder arbeidsinschakeling verstaat de WWB: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een daarop gerichte voorziening die door de gemeente wordt aangeboden. Met deze laatste beperking heeft de wetgever aangegeven dat gesubsidieerde arbeid, als voorziening in het kader van de WWB, weliswaar algemeen geaccepteerde arbeid, maar geen einddoel kan en mag zijn.
Door geen beperkende voorwaarden te stellen aan aard en omvang van het werk en aan de aansluiting op opleiding en ervaring, verwacht de wetgever te bereiken dat een eventueel beroep op inkomensondersteuning zo kort mogelijk is. Het college dient uiteraard wel te letten op de aansluiting bij de individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid. Dienaangaande is het uitgangspunt van de WWB ook niet meer, zoals in de uitvoering van de Abw te doen gebruikelijk was, de belemmeringen als vertrekpunt te nemen, maar de mogelijkheden van de betrokken persoon. Een diagnostische voorziening is derhalve niet gericht op de belemmeringen maar op de mogelijkheden van belanghebbende.
Het geheel van activiteiten dat (uiteindelijk) leidt tot arbeidsinschakeling van een belanghebbende wordt re-integratie genoemd. De WWB stelt het college daarvoor mede verantwoordelijk door de opdracht om een belanghebbende bij zijn arbeidsinschakeling te ondersteunen (artikel 7, lid 1 onderdeel a, WWB). Daarbij worden een of meerdere voorzieningen aangeboden indien dit naar het oordeel van het college nodig is. Het primaat van arbeidsinschakeling laat onverlet dat het college de mogelijkheid heeft een voorziening aan te bieden in plaats van arbeid als daarmee voor betrokkene de kans op duurzame arbeidsinschakeling wordt vergroot. Voor een belanghebbende die bijstand ontvangt, is re-integratie een plicht die aan het recht op bijstand is verbonden.
Zowel bij het toekennen van rechten als bij het opleggen van verplichtingen speelt het leveren van maatwerk een primaire rol. De wetgever heeft gemeenten hierin derhalve veel beleidsruimte gegeven met de bedoeling een grotere snelheid van het re-integratieproces te bewerkstelligen. Maatwerk bij het opleggen van verplichtingen acht de wetgever vooral van belang bij een aantal specifieke groepen. Zo wordt de integratie van allochtonen niet alleen bevorderd door deelname aan een re-integratietraject maar ook door het beter leren beheersen van de Nederlandse taal. Dat vergroot ook de kansen van hun kinderen op een goede participatie in de Nederlandse samenleving. Maatwerk is eveneens van belang voor de groep alleenstaande ouders. Daarmee wordt zo goed mogelijk voorkomen dat de afstand tot de arbeidsmarkt toeneemt door een te lange afwezigheid uit het arbeidsproces. Vanuit het oogpunt van een verantwoorde zorg voor de kinderen moeten gemeenten er wel voor zorgen dat er adequate voorzieningen worden aangeboden die een combinatie mogelijk maken van betaalde arbeid en zorg voor de kinderen. Deze voorzieningen hebben betrekking op toereikende kinderopvang en op de eisen die aan regulier werk worden gesteld, zoals reistijd en werktijden. Daartoe is artikel 9A in de Wet opgenomen.
Mensen die een bijstandsuitkering ontvangen worden door de gemeente op allerlei manieren gestimuleerd om werk te zoeken. Bijvoorbeeld door middel van leerwerkplekken, loonkostensubsidies, workshops enz.. Met de invoer van de Participatiebanen wordt een nieuw instrument ingezet voor mensen die al lang uit het arbeidsproces zijn, maar wel de potentie hebben om werk te verrichten. Artikel 10A van de Wet geeft hier nadere bepalingen over.
De verantwoordelijkheden van belanghebbende en college voor arbeidsinschakeling en re-integratie vragen om een heldere formulering van rechten en plichten van belanghebbende. De gemeenteraad moet op grond van artikel 8, lid 1 onderdeel a, WWB bij verordening regels stellen met betrekking tot het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Het re-integratiebeleid dient evenwichtig te zijn, zodat alle groepen met specifieke kenmerken daarin worden betrokken. In artikel 77 lid 1 WWB wordt de controlerende taak van de gemeenteraad op de uitvoering door het college van zijn re-integratietaak sterk benadrukt, doordat de gemeenteraad het verslag over de uitvoering eerst vaststelt alvorens dit aan de Minister, die belast is met het oordeel over de uitvoering door het college geeft, te zenden.
De WWB stelt derhalve het primaat bij de eigen verantwoordelijkheid van de burger om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan door middel van arbeid. Pas als mensen niet in staat blijken te zijn in het eigen bestaan te voorzien hebben zij aanspraak op ondersteuning door de gemeente. De gemeente heeft als tegenhanger van de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende de verplichting ondersteuning aan te bieden. De gemeente heeft daartoe de volledige verantwoordelijkheid, de middelen en ruimte.
Met het oog op de handhaving van rechten en verplichtingen dient deze verordening in onlosmakelijke samenhang met de maatregelenverordening gelezen te worden.