Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
a parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van
een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt
tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk
laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar
verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan
niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;
b houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet
worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorrijtuig dat is
ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet aangehouden register van
opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het
voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het
register was ingeschreven;
c parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van
verzamelparkeermeters, en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens
onder parkeerapparatuur wordt verstaan.