**1..** Indien een belanghebbende tijdens de bijstandsperiode tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt bij de volgende gedragingen een verlaging van 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand (verlaging vierde categorie) opgelegd:
de belanghebbende heeft door eigen schuld of toedoen geen recht (meer) op een voorliggende voorziening voor de algemene bijstand;
de belanghebbende heeft door eigen schuld of toedoen inkomsten verloren;
**2..** Indien een belanghebbende tijdens de bijstandsperiode een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt bij de volgende gedraging de op te leggen verlaging afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag, gerelateerd aan de netto-bijstand:
de belanghebbende heeft vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet onverantwoord besteed;
**3..** Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging als bedoeld in het tweede lid op de volgende wijze vastgesteld (verlaging vijfde categorie):
bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-: 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand;
bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 25% van de bijstandsnorm gedurende één maand;
bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand;
bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- tot € 6.000,-: 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand;
bij een benadelingsbedrag van € 6.000,- tot € 8.000,-: 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden;
bij een benadelingsbedrag vanaf € 8.000,-: 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden plus één maand voor elke € 2.000,- waarmee het benadelingsbedrag boven € 8.000,- uitstijgt.
**4..** Het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid, alsmede artikel 8 van deze verordening, laat onverlet de mogelijkheid om onder toepassing van artikel 48, lid 2, onderdeel b, WWB het na aftrek van de verlaging resterende recht op bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken tot aan de dag waarop zonder het betoonde tekortschietende besef pas recht op bijstand zou zijn ontstaan.
HOOFDSTUK 4
Artikel 16
- Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de zelfstandige voorziening in het bestaan tijdens de bijstandsperiode
Onderdeel van AFSTEMMINGSVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2011