Voor toepassing van artikel 1:2, onder a, komen in aanmerking:
De geïndiceerde die een uitkering ontvangt op grond van de WWB, IOAW of IOAZ en waarvan het college van oordeel is dat plaatsing gewenst is als vervolg op deelname aan een door van gemeentewege aangeboden re-integratietraject gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 6, eerste lid onder b, van de WWB.
De geïndiceerde schoolverlater die geen WWB-uitkering ontvangt en waarvan het college van oordeel is dat deze is aangewezen op plaatsing in een (beschutte) werkomgeving als bedoeld in de wet.
De geïndiceerde jongere waarvan het college van oordeel is dat deze een aanbod moet worden gedaan in het kader van de WIJ.