Naar hoofdinhoud
1.. Voor de op 1 April 1907 in dienst zijnde ambtenaren, die gebruik hebben gemaakt van de bevoegdheid om niet tot het Pensioenfonds toe te treden en die bovendien gebruik hebben gemaakt van de bevoegdheid, hun verleend bij artikel 44 der "weduwenwet voor de gemeenteambtenaren 1913" en de verklaring bedoeld bij artikel 156, 2e lid, der "Pensioenwet 1922 (Stbl. No. 240)" hebben ingezonden gelden, in afwijking van het elders in deze Verordening bepaalde, ten aanzien van weduwen- en weezenpensioen de navolgende bepalingen: Pensioen wordt verleend aan de weduwe of weezen van den ambtenaar of bediende, die in en door de uitoefening van zijn ambt is omgekomen, tengevolge van wonden en gebreken, die een uitsluitend gevolg waren van de hem opgedragen werkzaamheden. Deze bepaling is niet van toepassing op de weduwe, wier huwlijk voltrokken is, nadat -wonden of gebreken zijn ontstaan, noch op de weezen uit zodanig huwlijk nagelaten; Dit pensioen bedraagt, onafhankelijk van den diensttijd, twee derden van den pensioengrondslag; De weduwe geniet dit pensioen tot een volgend huwlijk, de weezen tot 20-jarigen leeftijd of eerder huwlijk; Het pensioen der weduwe gaat bij hertrouwen of overlijden over op de rechthebbenden kinderen van haren voormaligen echtgenoot. Het pensioen der hier bedoelde weezen, dat door leeftijd, eerder huwlijk of overlijden mocht vrijvallen, komt ten bate der overblijvende rechthebbende weezen; Aan de weduwen of weezen van overleden ambtenaren of bedienden kan door Burgemeester en Wethouders op daartoe strekkende aanvraag eene gratificatie worden verleend voor ééns, ten bedrage van ten hoogste drie maanden bezoldiging door den overledene laatstelijk genoten. 2.. Voor de op 1 April 1907 in dienst zijnde ambtenaren, die geen gebruik hebben gemaakt van de bevoegdheid om niet tot het Pensioenfonds toe te treden en die bovendien geen gebruik hebben gemaakt van de bevoegdheid, hun verleend bij artikel 44 der 'weduwenwet voor de gemeente-ambtenaren 1913", gelden de bepalingen genoemd in het eerste lid van dit artikel, voor zoover zij voor de weduwen en weezen voordeeliger zijn dan de bepalingen van deze Verordening. 3.. Indien ambtenaren, die gebruik gemaakt hebben van de bevoegdheid om niet tot het Pensioenfonds toe te treden, na ontslag uit den Gemeentedienst opnieuw in Gemeentedienst treden, worden zij ten opzichte der toetreding tot het Pensioenfonds aangemerkt als nieuw aangestelde ambtenaren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel