Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 5

Artikel 2.5.30

Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

Onderdeel van Bouwverordening gemeente Bunnik 2012

1.. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw of project daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw of project, dan wel op of onder het onbebouwde terrein of toekomstig openbaar gebied ten behoeve van woningbouw dat bij dat gebouw of project behoort. 2.. Hiervan is slechts sprake wanneer het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw of project, dan wel op of onder het onbebouwde terrein of toekomstig openbaar gebied ten behoeve van woningbouw dat bij dat gebouw of project hoort, voldoet aan de parkeernormen zoals in de nota 'Parkeernormen gemeente Bunnik'op 23 december 2008 is vastgesteld of zoals deze laatstelijk is gewijzigd. 3.. De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien: de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten behoeve van haaksparkeren ten minste 2,30 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen; de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten behoeve van langsparkeren ten minste 2,00 m bij 5,50 m en ten hoogste 3,25 bij 7,00 m bedragen; de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte - voor zover die ruimte niet iin de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minse 3,50 m bij 5,00 m bedragen; geparkeerd wordt in, onder of op een bouwwerk of project moeten de overige maten zoals breedtes van rijlopers, plaatsen van kolommen en dergelijke conform NEN 2443 worden uitgevoerd. Voor de niet nader genoemde inrichtingseisen of minimale dan wel maximale maten wordt de ASVV 2004 van toepassing verklaard. 4.. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. 5.. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Aan deze afwijking kunnen voorschriften worden verbonden. Het bevoegd gezag mag hiertoe slechts overgaan indien het van mening is dat op grond van omstandigheden het nagenoeg onmogelijk is om aan deze parkeernormen te voldoen en waarbij bovendien het bevoegd gezag van mening is dat de ontwikkeling zeer wenselijk is. Tevens kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid indien op een andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

Rechtspraak bij dit artikel