Het college kan een financiële tegemoetkoming voor deelname aan sociaal-culturele en sportieve voorzieningen verstrekken aan:
ingezetenen van 18 jaar en ouder én
die gedurende een periode van tenminste één jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag:
uitkeringsgerechtigde zijn en een inkomen hebben genoten ter hoogte van maximaal 120% van het sociaal minimum of
anderszins aantoonbaar een (netto) inkomen hebben genoten tot maximaal 120% van het sociaal minimum én
die niet over een vermogen beschikken dat hoger is dan de geldende vermogensgrens;
Niet tot het inkomen worden gerekend:
de middelen als bedoeld in artikel 31, tweede lid van de WWB en de langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de WWB;
een (gemeentelijke) premie wegens uitstroom.
Het vermogen in de eigen woning wordt buiten beschouwing gelaten.
Bij het vaststellen van het vermogen wordt van het saldo op de lopende rekening een bedrag vrijgelaten in verband met lopende uitgaven ter hoogte van:
Gehuwden € 1850,00
Alleenstaande ouder € 1650,00
Alleenstaande van 23 jaar of ouder € 1300,00
Alleenstaande van 22 jaar € 1100,00
Alleenstaande van 21 jaar € 950,00
Alleenstaande van 18-21 jaar, uitwonend € 950,00
Alleenstaande van 18-21 jaar, thuiswonend € 350,00
5.Indien de aanvrager gehuwd is met een partner, welke partner ten tijde van indiening van de aanvraag in een inrichting verblijft als bedoeld in artikel 1, onderdeel f van de WWB, is voor de aanvrager de hoogte van financiële tegemoetkoming gelijk aan die voor hem/haar als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.
HOOFDSTUK II
Artikel 4
Deelname aan sociaal-culturele en sportieve voorzieningen
Onderdeel van Regeling maatschappelijke participatie 2011