Naar hoofdinhoud
1.. De voorgaande artikelen dezer verordening - met uitzondering van de bepalingen in zake weduwen- en wezenpensioen - zijn niet van toepassing: op hem, die op 1 april 1936 in het genot was van een wethouderspensioen ten laste dezer gemeente; op hem, die op 13 juni 1935 het wethouderschap bekleedde en voor wie de bekleding van dat ambt daarna niet werkelijk is onderbroken; op hem, die op 13 juni 1935 in het genot was van wethouderspensioen ten laste deze Gemeente en sindsdien doch vóór 19 november 1935 opnieuw als wethouder dezer Gemeente is opgetreden. 2.. Te hunnen aanzien blijven van toepassing de "Wethouderspensioenverordening 1931" (Verz. 1931, no. 26) en de bij artikel 12 dier verordening gehandhaafde vroegere verordeningen, voor zover deze in verband met de tijdsomstandigheden niet zullen worden gewijzigd, echter met dien verstande, dat, indien een afgetreden wethouder krachtens een der in dit lid bedoelde verordeningen in het genot is van een pensioen en hij opnieuw het wethouderschap aanvaardt, het pensioen met ingang van de dag van het aanvaarden van dit wethouderschap vervalt. 3.. Voor wethouders, afgetreden vóór of in functie op de dag, waarop deze verordening door Gedeputeerde Staten wordt goedgekeurd, vangt de in artikel 12, 1e lid, bedoelde termijn van een maand aan met de dag, volgende op die, waarop hun deze goedkeuring is medegedeeld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel