Deze verordening kan worden aangehaald als Uitkerings- en pensioenverordening wethouders 1956”.
Deze verordening is vastgesteld in de openbare vergadering van de Gemeenteraad van ’s-Gravenhage van 22 juli 1957 (bijl. no. 463, Hand. blz. 694) en goedgekeurd door de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland bij besluit van 22 augustus 1957, G.S. no. 313;
gewijzigd bij raadsbesluit van 16 februari 1959 (Bijl. no. 81), goedgekeurd door de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland bij besluit van 4 maart 1959, G.S. no. 321;
gewijzigd bij raadsbesluit van 14 december 1964 (Bijl. no. 684 IIa, b en c, A V, B VIIa en C1, Hand. Blz. 898).
Bij genoemd raadsbesluit van 14 december 1964 (B V) is tevens vastgesteld de volgende bepaling:
De artikelen 2, 2a, 3, 4 en 8 van de Derde Afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963, voor zover betrekking hebbend op pensioenen, verleend krachtens de Wet van 1 augustus 1956 (Stb. 455), zijn van overeenkomstige toepassing op de pensioenen, toegekend of toe te kennen krachtens de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders 1956 (Verz. 1957, no. 13)
Bij eerdergenoemd raadsbesluit van 14 december 1964 is tevens bepaald, dat de gewijzigde verordening en bovengenoemde bepaling worden geacht in werking te zijn getreden met ingang van 1 januari 1963, behoudens voor zover betreft de wijzigingen van de artikelen 8 en 25, alsmede het eerste lid van het nieuw ingevoegde artikel 25a, welke bepalingen worden geacht in werking te zijn getreden op 1 januari 1964.
De bij meergenoemd raadsbesluit van 14 december 1964 aangebrachte wijzigingen zijn goedgekeurd door de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland bij besluit van 14 april 1965, G.S. no. 50.