De leerkrachten hebben ingeval van ontslag aanspraak op een periodieke uitkering ten laste van de gemeente overeenkomstig de bepalingen van de Pensioenwet 1922 (Stbl. 240), zulks evenwel met dien verstande, dat
in afwijking van het bepaalde in artikel 56 van genoemde wet als diensttijd voor de berekening van het pensioen in aanmerking wordt genomen:
de tijd, als hoofd of verplichte onderwijzeres doorgebracht aan een van gemeentewege gesubsidieerde bijzondere kleuterschool;
de tijd, als verplichte kwekelinge in het tijdvak 1 januari 1929 tot en met 31 december 1936 en/of 1 januari 1954 tot en met 31 december 1955 doorgebracht aan een van gemeentewege gesubsidieerde bijzondere kleuterschool;
de tijd, als hoofdleidster, leidster of assistent-leidster doorgebracht aan een van rijkswege gesubsidieerde bijzondere kleuterschool;
de tijd, als hoofd, hoofdleidster, onderwijzeres, leidster, kwekelinge of assistentleidster doorgebracht aan een gemeentelijke kleuterschool te 's-Gravenhage;
Indien en voorzover op grond van de diensttijd, welke voor de berekening van de uitkering in aanmerking komt, aanspraak bestaat op een pensioen krachtens de Pensioenwet 1922 (Stbl. 240), dit pensioen op de uitkering in mindering wordt gebracht.
Artikel 2