Een pensioen, dat is of wordt toegekend aan een gewezen wethouder en dat is berekend met inachtneming van de bepalingen omtrent dat pensioen, zoals deze op 31 augustus 1956 golden, overschrijdt, na toepassing van artikel 2, niet een bedrag gelijk aan het in artikel 5 van de Algemene toeslagverordening voor gepensioneerde wethouders 1957 (Verz. 1959, no. 4) bedoelde bedrag, vermenigvuldigd met 1.3213.