Voor de aflossing van de geldlening kent de WWB evenmin regels
of het zou het gestelde in artikel 58 lid 1 onder b moeten zijn:
1.Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan
kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand: b. in
de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening
voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden
nagekomen;
Dit artikel houdt alleen in dat wanneer belanghebbende de regels
van de leenovereenkomst niet nakomt, de overeengekomen
bepalingen van die overeenkomst terugtreden en de verstrekte
leenbijstand terugvorderbaar is, conform de regels die voor
terugvorderingen gelden.
Met andere woorden de gemeente is vrij om te bepalen vanaf welk
moment moet worden afgelost, welke termijnen daarbij worden
toegepast en wanneer rente verschuldigd is. Ook voor de hoogte
van deze rente bestaan geen voorschriften. Hier zullen dus weer
keuzes gemaakt moeten worden. Het Besluit krediethypotheek dat
onder de Abw gold, is hierbij als leidraad gevolgd. De
bepalingen met betrekking tot aflossing en renteberekening zijn
opgenomen in de gemeentelijke beleidsregels.
Voor de hand liggend is dus, dat er tijdens de
bijstandsverlening geen ruimte is om af te lossen op de, op
grond van het vermogen in de woning verstrekte, leenbijstand.
Dit zou iedere andere aflossings- en reserveringscapaciteit te
niet doen. Verder is het logisch dat de rente in ieder geval
niet de gangbare rente die over hypothecaire leningen wordt
berekend overtreft.
Hoofdstuk B. › Paragraaf 5
Artikel 5.4
aflossing van de krediethypotheek
Onderdeel van Beleidsregel Krediethypotheek en pandrecht gemeente Kerkrade