**1..** Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien
jaar.
**2..** De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de
bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats.
**3..** Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van
een jaar vastgesteld.
**4..** Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de WWB dat niet
uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in
artikel 19 en 45 van genoemde wet, wordt geen aflossing gevergd.
Tevens wordt geen aflossing gevergd indien belanghebbende een
uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars
ontvangt.
**5..** Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college
zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager
dan wel hoger bedrag vast.
**6..** Bij de beoordeling van de omstandigheden, als bedoeld in het vijfde
lid, wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening
van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden
in mindering gebracht op het inkomen.
**7..** Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar
schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is
het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en
is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.
Hoofdstuk C
Artikel 7
Vaststelling hoogte aflossing
Onderdeel van Beleidsregel Krediethypotheek en pandrecht gemeente Kerkrade