1.Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten
behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht
in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van
het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per
openbaar vervoer.
2.De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s moet afmetingen hebben
die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s.
Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
a.indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1.80 m bij 5,00 m en ten
hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;
b.indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte -
voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50
m bij 5,00 m bedragen.
3.Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan
ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn
voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij
dat gebouw behoort.
4.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in
het eerste en het derde lid:
a.indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op
overwegende bezwaren stuit; of
b.voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of
losruimte wordt voorzien.
HOOFDSTUK 2. › Paragraaf 5
Artikel 2.5.30
Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen
Onderdeel van Bouwverordening gemeente IJsselstein 2011