Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 8

bestuurlijke boete bij verwijtbaar handelen

Onderdeel van Beleidsregels inburgeringsvoorzieningen Wet inburgering

1.. Er is sprake van verwijtbaar handelen indien de inburgeringsplichtige zonder dringende reden zich niet houdt aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, artikel 23, eerste lid, artikel 25, vierde lid, artikel 31, tweede lid onder a, van de Wet inburgering of aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van de Verordening wet inburgering. 2.. Onder dringende reden wordt in ieder geval verstaan aantoonbaar geoorloofd (langdurig) verzuim door werk, zwangerschapsverlof, ziekte (na ziekmelding), ernstige ziekte of overlijden van bloed- of aanverwanten, huwelijk of bijwonen van een huwelijk van bloed- of aanverwanten, verhuizing binnen of buiten de gemeente, het tijdelijk ontbreken van passende kinderopvang en het tijdelijk ontbreken van passend aanbod van een inburgeringsvoorziening. In alle overige gevallen is er sprake van ongeoorloofd verzuim. 3.. Of de inburgeringsplichtige verwijtbaarheid kan worden aangerekend bepaalt het college per individueel geval. In het geval dat de overtreding de inburgeringsplichtige kan worden verweten, legt het college een bestuurlijke boete op. In het geval dat de inburgeringsplichtige gedeeltelijk verwijtbaarheid kan worden aangerekend, kiest het College voor een lagere bestuurlijke boete.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel