Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2Vorm

Artikel 4

Draagkracht

Onderdeel van Beleidsregel individuele bijzondere bijstand

1.. Bij verstrekking van bijzondere bijstand wordt rekening gehouden met de draagkracht van de belanghebbende; 2.. De draagkracht wordt uitgedrukt in een percentage van het voor de bijzondere bijstand in aanmerking te nemen inkomen en vermogen; 3.. Bij de vaststelling van de financiële draagkracht behoeft niet het totale meerinkomen te worden ingezet; 4.. Bij de berekening van bijzondere bijstand worden de volgende percentages van het meerinkomen in aanmerking genomen: 15% tussen € 0 en € 1.090 per jaar, vermeerderd met 35% tussen € 1.090 en € 2.723 per jaar, vermeerderd met 50% van € 2.723 en meer per jaar; 5.. Wanneer sprake is van periodieke bijzondere bijstand voor de kosten van rente en aflossing lening Stadsbank wordt 50% van het meerinkomen in aanmerking genomen naast de van toepassing zijnde aflossingscapaciteit bij het wettelijk minimumloon zoals vastgesteld door de landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR); 6.. Voor de bepaling van het vermogen is artikel 34, lid 1 onder a en b van de wet van toepassing; 7.. De draagkracht bedraagt 100% van het meervermogen; 8.. Bij het samengaan van periodieke en incidentele kosten wordt de draagkracht eerst op de incidentele kosten in mindering gebracht; 9.. Wanneer verschillende draagkrachtpercentages van toepassing zijn, wordt het hoogste percentage op het meerinkomen in mindering gebracht; 10.. De draagkrachtperiode gaat in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt ingediend en geldt voor de duur van twaalf maanden; 11.. Lid 10 van dit artikel is niet van toepassing op kosten die eerder gemaakt zijn; 12.. De draagkracht wordt binnen de vastgestelde periode van twaalf maanden herzien indien wijziging van de omstandigheden daartoe aanleiding geeft.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel