Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6.

Artikel 9.

Artikel 9.

Onderdeel van Maatschappelijke ondersteuning

De inkomensgrenzen en kortingen Het vaststellen van de inkomensgrenzen Het netto-inkomen wordt als volgt vastgesteld: Loontrekkenden of uitkeringsgerechtigden (inclusief ouderen met alleen een AOW-uitkering): nettoloon op loonstrookje of uitkeringsspecificatie, vermeerderd met vakantietoeslag en de fiscale heffingskortingen voor zover deze niet zijn vrijgelaten. Zelfstandigen: inkomen volgens de belastingopgave van het laatst verstreken kalenderjaar minus verschuldigde inkomstenbelasting (forfaitair percentage conform artikel 6 lid 2 Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004). Ouderen met een klein pensioen: netto-inkomsten, vermeerderd met vakantietoeslag en de fiscale heffingskortingen voor zover deze niet zijn vrijgelaten. Indien de ondersteuningsbehoevende deelneemt aan een spaarloonregeling of levensloopregeling wordt bij de vaststelling van het netto-inkomen uitgegaan van het nettoloon dat zou zijn ontvangen indien hij niet aan de spaarloonregeling of levensloopregeling had deelgenomen. Ter bepaling hiervan dient de ondersteuningsbehoevende een aparte loonspecificatie van zijn werkgever te overleggen indien het college daarom verzoekt. De periode waarover het netto-inkomen wordt vastgesteld in het kalenderjaar waarin de aanvraag voor de Wmo-voorziening is gedaan. 9.2.Inkomensgrens bij individuele vervoersvoorzieningen (glijdende schaal) Het maximumbedrag waarmee het inkomen op grond van artikel 25, 6e lid van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Oss overschreden mag worden bij de toepassing van de glijdende schaal bedraagt: 75 % bij overschrijding van het norminkomen tot en met ₠ 395,60 netto per jaar, 50% bij overschrijding van het norminkomen van ₠395,60 tot en met ₠ 791,20 netto per jaar en 25% bij overschrijding van het norminkomen van ₠ 791,20 tot en met ₠ 1.186,80 netto per jaar van de in artikel 10.1 onder a tot en met d genoemde maximale vergoedingen die voor taxi, rolstoeltaxi, eigen auto en bruikleenauto worden toegekend. 9.3.Inkomensgrens bij collectief vervoer Indien het inkomen hoger is dan 1,5 x het norminkomen vermeerderd met ₠ 1.186,80 netto per jaar wordt men uitgesloten van het recht om tegen betaling van een tarief vergelijkbaar met het openbaar vervoertarief gebruik te maken van de voorziening als bedoeld in artikel 22 onder a (collectief vervoer) van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Oss. Inkomensgrenzen en overige kosten die voortvloeien uit de handicap Bij toepassing van artikel 25 van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Oss wordt bij het vaststellen van het inkomen rekening gehouden met overige kosten die voortvloeien uit de handicap. Het betreft kosten die: niet vanuit andere regelingen geheel of gedeeltelijk worden vergoed, niet algemeen gebruikelijk zijn en gemaakt zijn in het kalenderjaar waarin de aanvraag voor de Wmo-voorziening is gedaan. De ondersteuningsbehoevende dient de overige kosten voortvloeiend uit handicap aannemelijk te maken. Het bepaalde in de voorgaande leden wordt niet toegepast indien het inkomen lager is dan het norminkomen. Kortingen Op de forfaitaire vergoedingen voor het gebruik van een (eigen) auto, bruikleenauto, taxi of rolstoeltaxi en de forfaitaire vergoeding naast het collectief vervoer wordt 20% in mindering gebracht indien de gehandicapte zowel een vervoersvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming als een vervoersvoorziening in natura ontvangt. Op de forfaitaire vergoeding voor het gebruik van een (eigen) auto, bruikleenauto, taxi of rolstoeltaxi wordt in de regel 50% in mindering gebracht indien de gehandicapte verblijft in een inrichting op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten, tenzij uit een daartoe ingesteld onderzoek een afwijkende vervoersbehoefte blijkt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel