1 Burgemeester en wethouders kunnen, al dan niet op aanvraag van een
belanghebbende, een onroerend monument aanwijzen als beschermd
gemeentelijk monument.
2 Voordat burgemeester en wethouders over de aanwijzing een besluit
nemen, vragen zij advies aan de welstand- en erfgoedcommissie. In
spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege
blijven.
3 Op de aanwijzingsprocedure tot beschermd gemeentelijk monument is
het bepaalde in de artikelen 4:8 en 4:9 van de Algemene wet
bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
4 Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een object de
kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd
gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de registratie als
bedoeld in artikel 7 lid 1 plaatsheeft of vaststaat dat het monument
niet wordt aangewezen, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van
overeenkomstige toepassing.
5 Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de aanwijzing
van een onroerend monument als beschermd gemeentelijk monument
bepalen dat bouwhistorisch onderzoek wordt verricht.
6 Burgemeester en wethouders brengen de raad in kennis van het
besluit over de aanwijzing van een gemeentelijk monument.
7 Voordat burgemeester en wethouders een kerkelijk monument
aanwijzen, voeren zij overleg met de eigenaar.
8 De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op
grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 1
Artikel 4
De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument
Onderdeel van Monumentenverordening gemeente Geldrop-Mierlo