De alleenstaande en de alleenstaande ouder ontvangt een toeslag van 20% op de toepasselijke norm
wanneer hij de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan niet of niet geheel kan delen met een ander.
De norm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.
De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 30, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag.
De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het tweede lid niet van toepassing is 10% van het netto minimumloon, behalve voor kostgevers/ hospita's.
De alleenstaande en de alleenstaande ouder, die tevens de rol van kostgever en/of hospita vervullen ontvangen géén toeslag als bedoeld in het eerste lid.
HOOFDSTUK 2
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren