Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand.
De maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op:
twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een periode korter dan 3
maanden;
b.twintig procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij een periode van 3 tot 6
maanden;
c.twintig procent van de bijstandsnorm gedurende zes maanden bij een periode van 6
maanden of langer.
In afwijking van het eerste en tweede lid en onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de bijzondere bijstand geweigerd indien het beroep op bijzondere bijstand het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
In afwijking van het eerste en tweede lid en onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt de aanvullende bijzondere bijstand voor 18 tot 21 jarigen, die een inkomensvoorziening ingevolge de WIJ ontvangen en aan wie een maatregel op grond van de Afstemmingsverordening WIJ 2010 wordt opgelegd, met eenzelfde percentage en voor dezelfde duur verlaagd als bepaald in deze maatregel.
In afwijking van het eerste en tweede lid en onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid tot uitdrukking komend in “het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid” gelijkgesteld aan een gedraging van de derde categorie als bedoeld in artikel 6, derde lid. Voor het bepalen van de hoogte van de maatregel is artikel 7 van overeenkomstige toepassing.
Indien geen benadelingsperiode kan worden vastgesteld, bedraagt de maatregel 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand.
Hoofdstuk 4:
Artikel 13:
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand 2011