Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Instellen onderzoekscommissie

Onderdeel van Verordening op raadsonderzoek

1.. Als op basis van de uitkomsten uit het vooronderzoek als bedoeld in artikel 1 de raad besluit een onderzoek in te stellen als bedoeld in artikel 155a-155f van de Gemeentewet, dan benoemt de raad een commissie van onderzoek bestaande uit 5 raadsleden. Voor ieder lid wijst de raad een raadslid als plaatsvervanger aan. 2.. In de commissie kunnen geen leden van de raad zitting nemen, die als getuige of deskundige kunnen worden opgeroepen. 3.. De zittingsduur van de leden van de commissie is gelijk aan de duur van onderzoek. 4.. Het lidmaatschap van de commissie eindigt eerder in geval van: beëindiging van het lidmaatschap van de raad ontslag als commissielid door de raad, al dan niet op verzoek van het desbetreffende lid. Bij een tussentijdse vacature neemt de plaatsvervanger van het desbetreffende commissielid diens plaats in. De raad beslist of in zijn plaats een nieuwe plaatsvervanger wordt aangewezen. 5.. De raad wijst uit de commissieleden de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de commissie aan. 6.. De griffier fungeert als secretaris van de commissie of wijst, in overleg met de commissie, een medewerker van de griffie tot secretaris aan. 7.. De commissie besluit bij meerderheid van stemmen. Ieder lid van de commissie brengt één stem uit. De plaatsvervanger die als zodanig optreedt, brengt de stem uit van het lid dat hij vervangt. 8.. De commissie kan de bij deze verordening of Gemeentewet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen, indien tenminste drie van haar leden aanwezig zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel