**1..** De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van functionele beperkingen geen aanleiding bestond;
de ondersteuningsvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;
deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen;
de ondersteuningsvrager verhuist naar een AWBZ-instelling of verhuist naar een andere instelling, gericht op het verstrekken van zorg;
er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden belemmeringen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de aanvrager bewoonde woning;
de belemmeringen niet in de woning zelf (waartoe ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden ondervonden.
**2..** Een ondersteuningsvrager, die voor het eerst zelfstandig gaat wonen komt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en herinrichting.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.6
Weigeringgronden
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2011