In deze verordening wordt verstaan onder:
wet: de Huisvestingswet;
besluit: het
Huisvestingsbesluit;
woonruimte: het daaromtrent in
artikel 1, lid 1 sub b, van de wet bepaalde;
huurprijs: het daaromtrent in
artikel 1, lid 1 sub j, van de wet bepaalde;
huurprijsgrens: het daaromtrent in
artikel 6, lid 3, van de wet bepaalde;
huishouden: een alleenstaande, dan
wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke
huishouding voeren, of willen gaan voeren;
huisvestingsvergunning: de
vergunning, bedoeld in artikel 7 van de wet;
eigenaar: het daaromtrent in
artikel 1, lid 2, van de wet bepaalde;
ingezetene: degene die in het
bevolkingsregister van één der gemeenten van de regio Kop van
Noord-Holland is opgenomen en feitelijk in de regio Kop van
Noord-Holland hoofdverblijf heeft in een voor permanente
bewoning aangewezen woonruimte;
onzelfstandige woonruimte:
woonruimte, niet zijnde woonruimten bestemd voor inwoning, welke
geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan
worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van
wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;
inwoning: het bewonen van een
woonruimte die onderdeel uitmaakt van een woonruimte die door
een ander huishouden in gebruik is genomen. Hiervan is in ieder
geval sprake indien de eigenaar (of eigenaren) van de
(oorspronkelijke) zelfstandige woonruimte woonachtig blijft in
de woonruimte en deze eigenaar ook op dat adres ingeschreven
staat in de gemeentelijke basisadministratie;
standplaats: het daaromtrent in
artikel 1, lid 1, sub e, van de wet bepaalde;
woonwagen: het daaromtrent in
artikel 1, lid 1, sub f, van de wet bepaalde;
onttrekkingsvergunning: de
vergunning als bedoeld in artikel 30 van de wet;
splitsingsvergunning: de vergunning
als bedoeld in artikel 33 van de wet;
aanwijzingsgebied
onttrekkingsvergunning: een speciaal daartoe
aangewezen gebied, bijvoorbeeld bestaande uit een (gedeelte van
de ) straat en/of wijk, waarop het
onttrekkingsvergunningenstelsel in de zin van artikel 3.1.2 sub
c van toepassing is.