Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Algemeen

Onderdeel van Beleidsregels Verhaal WWB WIJ 2010

1. Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot: a. het opleggen van de verplichting ingevolge artikel 55 van de Wet werk en bijstand (WWB), om een verzoek in te stellen tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud voor kinderen krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover de belanghebbende hierop aanspraak heeft; b. het verhalen van de kosten van bijstand zoals neergelegd in de artikelen 61 en 62 van de Wet werk en bijstand (WWB). c. het verhalen van de kosten van de inkomensvoorziening zoals neergelegd in artikel 57 van de Wet investeren in jongeren (WIJ). 2. Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van de kosten van bijstand of inkomensvoorziening tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van de het Burgerlijk Wetboek: a. op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt en op het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt; b. op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt; c. op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind aan wie bijzondere bijstand is verleend. 3. Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van de kosten van bijstand of de inkomensvoorziening tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van de het Burgerlijk Wetboek: a. degene aan wie de persoon die bijstand of inkomensvoorziening ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan voorzover bij het besluit op de bijstandsaanvraag of de aanvraag voor een inkomensvoorziening met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden indien de schenking niet had plaatsgevonden, tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van bijstandsverlening of het verlenen van een inkomensvoorziening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien; b. de nalatenschap van de persoon indien: 1. aan die persoon ten onrechte bijstand of een inkomensvoorziening is verleend en voorzover voor het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden; 2. bijstand of een inkomensvoorziening is verleend in de vorm van geldlening of als gevolg van borgtocht. 4. Behoudens in de gevallen als bedoeld in 3, b onder 2, worden kosten van bijstand of de inkomensvoorziening die meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot verhaal zijn gemaakt, niet verhaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel