Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 22

Artikel 22

Onderdeel van Huisvestingsverordening 2008

1. Het aanvragen van een urgentie vindt plaats in de gemeente, waar de woningzoekende woonachtig is en bij de gemeente of de in die gemeente werkzame corporatie. 2. Door een urgentie kan geen woonwens worden gerealiseerd. 3. De aanleiding voor het aanvragen van een urgentie dient te gelegen te zijn in de persoonlijke omstandigheden van een persoon en in een van de Rijnstreek-gemeenten te zijn ontstaan. 4. Een urgentie kan voor de volgende situaties worden afgegeven: Maatschappelijke en sociale omstandigheden.a. aan personen, die verblijven in een opvangtehuis en /of personen uit erkende hulp- en dienstverleningsinstellingen.b. ingeval van geestelijke mishandeling en/of incest, mits dit aantoonbaar is door ter zake kundige en bevoegde instanties.c. bij lichamelijke mishandeling, mits dit wordt aangetoond door een aangifte bij de politie, zo mogelijk aangevuld met gegevens van justitie, maatschappelijk werk en/of arts.d. daar waar een aantoonbare, financiële noodsituatie buiten eigen schuld is ontstaan.e. wanneer dakloosheid een aantoonbare noodsituatie veroorzaakt die leidt tot een crisis.f. na een verblijf in een penitentiaire inrichting. De rapportage van de penitentiaire inrichting wordt als een zwaarwegend advies beschouwd. Uit deze rapportage blijkt in ieder geval:- een gevangenisstraf van minstens één jaar- voorafgaand aan de gevangenisstraf minstens één jaar woonachtig in de regio- woonverleden in een zelfstandige woonruimte die door de gevangenisstraf verloren is gegaan. Het verloren gaan van de woonruimte moet niet verwijtbaar zijn.- aanvrager is 27 jaar of ouder en kan niet terug naar het vroegere woonadres- de urgentieaanvraag moet binnen een maand nadat de detentie is afgelopen aangevraagd zijn. Bij de toetsing van een urgentieaanvraag aan de hierboven genoemde maatschappelijke en sociale omstandigheden speelt de acuutheid en de wel of niet voorzienbaarheid van de situatie een rol, evenals de in te schatten zelfredzaamheid van de aanvrager. Daarnaast speelt mogelijke verwijtbaarheid van de situatie een rol bij het toetsen van de aanvraag en zal meewegen in hoeverre voor de woningzoekende in kwestie geen andere oplossing voor het woonprobleem denkbaar is dan uitsluitend (andere) zelfstandige huisvesting in een van de Rijnstreekgemeenten. Medische omstandigheden.a. Voorrangsindicatie wordt afgegeven aan de belanghebbende die deze aanvraagt vanwege een lichamelijke aandoening en/of psychische stoornis. Wel moet medisch worden aangetoond dat deze aandoening of stoornis chronisch is en overwegend wordt veroorzaakt door de woonsituatie, dan wel dat de behandeling de aandoening/stoornis in hoge mate ongunstig wordt beïnvloed door de woonsituatie. b. De lichamelijke aandoening en/of psychische stoornis moet blijken uit verklaringen van medische en/of psychiatrische specialisten. 5. Geen voorrangsindicatie wordt afgegeven aan de woningzoekende1 die een woonwens heeft. 2. die als medehuurder het huurrecht van de voormalige echtelijke of gezamenlijk gehuurde woning heeft kunnen opeisen, maar dit heeft nagelaten.3. die als mede-eigenaar van de voormalig echtelijke of gezamenlijke woning heeft nagelaten bij de scheiding en deling van de gezamenlijke boedel deze woning voor zichzelf op te eisen.4. die niet rechtmatig in Nederland verblijft.5. die sinds het moment van aanvragen niet heeft gereageerd op het reguliere woningaanbod, dan wel een aangeboden woning heeft geweigerd. 6. die op grond van de vermogensgrenzen in de huurtoeslagwet geen huurtoeslag krijgt. Bij het rekenvermogen wordt tevens het bedrag dat overblijft uit de verkoop van een eventuele eigen woning geteld. Het inkomen wordt hierbij mede in beschouwing genomen. De woningzoekende wordt voldoende zelfredzaam geacht.7. die in het jaar voorafgaand aan de aanvraag een jaarinkomen geniet gelijk aan of hoger dan 130% van de maximuminkomensgrens voor meerpersoons huishoudens beneden de 65 jaar, op grond van artikel lid 1 van de Wet op de huurtoeslag, afgerond op een veelvoud van € 25,00. Onder inkomen wordt verstaan de som van het belastbare inkomen uit werk en woning, het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, bedoeld in de hoofdstukken 3, 4 en 5 van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001. Voor aanvragen die in 2007 worden gedaan betekend dit dat het jaarinkomen van 2006 niet hoger mag zijn dan € 35.850,00. De woningzoekende wordt voldoende zelfredzaam geacht.

Rechtspraak bij dit artikel