Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 7

Artikel 2.7.5

Aansluiting anders dan aan de openbare riolering

Onderdeel van Bouwverordening 2010

1. Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en fecaliën niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen: a. leidingen voor fecaliën en andere afvalwaterstromen, uitgezonderd hemelwater en koelwater, moeten lozen op een zuiveringstechnisch werk conform de eisen het betreffende waterschap;b. leidingen voor de afvoer van hemelwater, alsmede overstorten van zuiveringstechnische werken, moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van het oppervlaktewater, bodem en lucht kan optreden;c. leidingen voor de afvoer van hemelwater mogen niet lozen op een zuiveringstechnisch werk; 2. De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten:a. zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en lucht kan optreden; enb. zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte opvang- en bezinkingsvoorziening van voldoende capaciteit, welke voorziening in verband met de grootte van de te ontwateren oppervlakken en de bodemgesteldheid ter plaatse moet zijn gelegen op voldoende afstand van de perceelgrenzen en de bebouwing op het perceel. 3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking:a. van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is;b. van het bepaalde in het tweede lid, indien de bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter plaatse, dan wel de omvang van het perceel de infiltratie van hemelwater niet toelaten en bovendien de afvoervoorziening voor hemelwater niet wordt aangesloten aan een rottingput. 4. Zinken dakgoten en/of hemelwaterafvoeren moeten inwendig worden gecoat om uiloog van het zink te beperken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel