Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 5.

Artikel 2:10

Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening

Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet voor de volgende voorwerpen mits wordt voldaan aan het bepaalde in het vijfde en aan de nadere regels uit hoofde van het zesde lid: terrassen als bedoeld in artikel 2:27 sub b, tenzij het een locatie of horecabedrijf betreft die is aangegeven op de nader door het college vast te stellen kaart; uitstallingen; bouwobjecten; reclameborden; plantenbakken en banken; nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Degene die voornemens is bouwobjecten te plaatsen, doet daarvan uiterlijk 10 werkdagen tevoren een melding aan het college. Het bevoegde bestuursorgaan stelt nadere regels voor de categorieën genoemd in lid 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. In dit artikel wordt verstaan onder bevoegde bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel