Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Aflossing en rente geldlening

Onderdeel van Richtlijnen krediethypotheek en geldlening WWB WIJ 2010

1. De aflossing van de geldlening vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandverlening of de verlening van de inkomensvoorziening en vindt maandelijks plaats. 2. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld overeenkomstig de draagkrachtberekening voor bijzondere bijstand zoals is vastgelegd in de richtlijnen bijzondere bijstand. 3. Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet en artikel 24 van de WIJ , dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk 3 van de wet en hoofdstuk 4 van de WIJ, wordt geen aflossing gevergd. 4. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast. 5. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. 6. Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode in verzuim is met het voldoen van de vastgestelde aflossingen, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is tevens rente verschuldigd over de achterstallige aflossingstermijnen gedurende de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. 7. De rente, bedoeld in het zesde lid, is de wettelijke rente bedoeld in de artikelen 6:119 en 120 BW.. 8. Over een rentevordering is geen rente verschuldigd.

Rechtspraak bij dit artikel