Naar hoofdinhoud
Voor zover in deze Algemene Verkoopvoorwaarden of in de bijzondere bedingen aan de gemeente enig recht en/of enige bijzondere bevoegdheid is toegekend, laat deze bevoegdheid onaangetast het recht en/of bevoegdheid van de gemeente alle andere rechtsmiddelen of vorderingen, welke haar ten dienste staan of toekomen, aan te wenden of in te stellen, voorzover deze bevoegdheid niet uitdrukkelijk is beperkt of uitgesloten. Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van Roosendaal bij besluit van 12 juni 2007. BOUWRIJPE GROND VOOR WONINGBOUW IN DE GEMEENTE ROOSENDAAL Het bouwterrein wordt geleverd nadat de volgende werkzaamheden zijn uitgevoerd: Het ontdoen van de grond van bebouwing, bouwresten en andere boven- en ondergrondse obstakels, het verwijderen van bomen en boomstronken, het dempen van sloten, het egaliseren van het terrein, alsmede het verrichten van alle verdere noodzakelijke grondwerkzaamheden, met uitzondering van werkzaamheden om de draagkracht van de bodem te beïnvloeden. Ten aanzien van de hoogte van het terrein geldt, dat: alle terreinen zullen geëgaliseerd worden opgeleverd op een niveau variërend van 0,20 m boven de hoogte van de opsluitband van de aangrenzende ontsluitingsweg tot 0,20 m beneden de hoogte van de genoemde opsluitband. De bovenste laag van het geëgaliseerde bouwterrein zal bestaan uit minimaal 30 cm teelaarde. Onder deze laag kan, indien het bouwterrein is opgehoogd, geroerde grond van wisselende samenstelling aanwezig zijn. de bouwresten en andere obstakels worden verwijderd tot op een diepte van 1,50 m onder het toekomstige maaiveld. Het aanleggen van dusdanige voorzieningen, dat het bouwterrein ten behoeve van de realisering van de bouw kan worden bereikt door het bouwverkeer. Het aanbrengen van rioleringen (gemengd of gescheiden stelsel), bemalingsinrichtingen met de daarbij behorende werken en de aanleg van waterpartijen, watergangen en eventuele kunstwerken zoals bruggen, duikers, stuwen. Opmerking: De kosten van aansluiting op de gemeentelijke riolering zijn niet begrepen in de grondprijs. Is dit nog steeds zo? Ten behoeve van het realiseren van voldoende ontwatering (1) tijdens zowel de bouw- en woonfase wordt in het algemeen uitgegaan van het volgende: Het aanlegniveau van de geprojecteerde wegen (as van de weg) zal minimaal 1.00 m boven detheoretische gemiddelde hoogste grondwaterstand liggen, wil de ontwatering aan de gestelde normen voldoen. Voor gebouwen wordt uitgegaan van een minimale ontwateringsdiepte van 0,70 mbeneden vloerpeil (vloerpeil is minimaal 0,20 m boven maaiveld gelegen). Ter plaatse van tuinen is een minimale ontwatering van 0,50 m vereist. In principe zal aan deze ontwateringsnorm worden voldaan door, indien noodzakelijk, een afdoendeophoging van het bouwterrein te realiseren. In voorkomende gevallen wordt wateroverlast, ontstaan als gevolg van de stagnatie van de waterafvoer in de bodem, vorkomen door middel vanaanvullende ontwateringsmaatregelen in de vorm van (diep-)drainage in en t.b.v. de functie van het openbaar gebied. In het algemeen wordt deze drainage alleen geprojecteerd onder de geplandeopenbare wegen. Op deze wijze kan in het algemeen voldoende ontwatering worden gerealiseerd voor bebouwing (zonder kruipruimte). Indien toch bebouwing met kruipruimte wordt gerealiseerd,dient deze kruipruimte overeenkomstig de eisen van het Bouwbesluit met een minimalewaterkerende voorziening volgens de SBR-2000 te worden uitgevoerd of dienen op eigen kosten ontwateringsmaatregelen te worden uitgevoerd in de vorm van bijvoorbeeld woning- enkaveldrainage. Hierbij dient te worden uitgegaan van een ontwateringsdiepte van 0,20 m beneden dekruipruimtebodem. Deze woning- c.q. kaveldrainage op particuliere grond kan via de aansluitpuntenworden aangesloten op het eventueel ter plaatse aanwezige gemeentelijke diepdrainagesysteem. Omdat niet overal aanvullende ontwateringsmaatregelen in de vorm van diepdrainage behoeft teworden aangelegd, is het vaak niet mogelijk drainagesysteem op particuliere grond aan te sluiten. Daarom wordt dringend geadviseerd de bebouwing uit te voeren zonder kruipruimte. Voorwaardenten aanzien van de eventuele aansluiting op het gemeentelijke drainagesysteem zullen vóór de overdracht van de grond dienen te worden geregeld (o.a. het al dan niet kunnen aansluiten op hetgemeentelijke drainagesysteem en het vaststellen van het beheerpeil in het gemeentelijkdrainagesysteem. e.Waterschap Voor het lozen van water op een watergang in beheer van het waterschap, is de Keur van hetwaterschap Brabantse Delta van toepassing (‘Keur waterkeringen en oppervlaktewateren, september 2005, waterschap Brabantse Delta’). Indien het afvoerend verhard oppervlakdirect of via retentie/infiltratievoorziening loost op oppervlaktewater en kleiner is dan 2000 m2 kan volstaan worden met een melding aan het waterschap. Het hemelwater kan dan zonderkeurontheffing worden geloosd op de watergang. Indien het afvoerend verhard oppervlakgroter is dan 2000 m2 is voor het lozen op oppervlaktewater wel een ontheffing van hetwaterschap nodig. Bij het verlenen van een ontheffing wordt de Beleidsregel ‘hydraulische randvoorwaarden d.d. september 2005’ van het waterschap gehanteerd. Hierbij dient eenretentievoorziening te worden gerealiseerd waarin hemelwater wordt geborgen tot eenneerslaggebeurtenis van eens in de 10 jaar met maximaal een landelijke afvoer van 1,67 l/s/ha of 2,67 l/s/ha (afhankelijk van de bodemopbouw). Als vuistregel kan men hierbij ca. 400 m3 berging per ha. afvoerend oppervlak aanhouden. Indien sprake is van verontreinigd oppervlak is een directe lozing van overtollig hemelwaterop het oppervlaktewater niet toegestaan. Er dient dan bij voorkeur te worden afgevoerd viaeen verbeterd gescheiden rioolstelsel (VGS), waarbij het waterschap uitgaat van een berging van 2 mm en een pompovercapaciteit van 0,2 mm/uur. Voor de aanleg van overstorten vaneen VGS is een WVO-vergunning van het waterschap benodigd.

Rechtspraak bij dit artikel