Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • - een algemeen pensioen:

    1.e

    een pensioen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet;

    2.e

    een weduwenpensioen, een tijdelijke weduwen-uitkering en een wezenpensioen als bedoeld in de Algemene Weduwen- en Wezenwet;

  • - een pensioen:

    een pensioen dat is toegekend of geacht wordt te zijn toegekend krachtens deze verordening, dan wel krachtens de Wethouderspensioenverordening 1936, met uitzondering van de overgangstoeslag, welke is verleend overeenkomstig artikel 4 van de derde afdeling van de Pensioenmaatregelen 1963

    (Stb. 210);

  • - een belanghebbende:

    hij die recht heeft op een pensioen, met uitzondering van de gepensioneerde vrouwelijke wethouder als zodanig, zolang zij recht heeft op een algemeen pensioen, als bedoeld onder a, 2e.