**1..** Voor een belanghebbende, die tevens recht heeft op een algemeen pensioen, wordt het deel daarvan, dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijd overeenkomende met de diensttijd waarnaar zijn pensioen is of geacht wordt te zijn berekend, tot een maximum van 40 jaren, gerekend deel uit te maken van het bedrag van zijn pensioen, met dien verstande dat:
voor zover diensttijd met 3,5 percent per jaar met pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 2 wordt vermenigvuldigd;
voor zover diensttijd met 0,875 percent per jaar met pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 0,5 wordt vermenigvuldigd.
Het in de vorige volzin omschreven deel wordt inbouwbedrag genoemd.
**2..** Ten aanzien van hem, die op het tijdstip met ingang waarvan voor hem recht op algemeen pensioen bestaat, reeds recht op pensioen heeft, vindt het eerste lid toepassing met ingang van de eerste dag van de maand, waarin het recht op algemeen pensioen is ontstaan, of zoveel later als het pensioen is ingegaan.
**3..** Op een weduwenpensioen, niet zijnde een pensioen als bedoeld in artikel 19, dat is afgeleid van een pensioen waarop, in verband met het recht op een pensioen als bedoeld in artikel 8 van de Algemene Ouderdomswet, het eerste lid van toepassing was, vindt dat lid niet eerder toepassing dan met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die waarin dat pensioen krachtens het bepaalde in artikel 56, eerste lid, is geëindigd.
**4..** Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de aanvang en het einde van die diensttijd, waarnaar het pensioen is of wordt geacht te zijn berekend.
HOOFDSTUK VII
Artikel 36