**1..** Indien een gepensioneerde in een inrichting ter verpleging van geesteszieken of zwakzinnigen is opgenomen of, niet opgenomen zijnde in een zodanige inrichting, op grond van geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen voor de uitbetaling van pensioen, zijn burgemeester en wethouders bevoegd het pensioen uit te betalen aan een door hen aan te wijzen persoon of instelling. In andere door hen aan te wijzen bijzondere gevallen zijn burgemeester en wethouders eveneens bevoegd het pensioen in plaats van aan een gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen aan een door hen aan te wijzen persoon of instelling.
**2..** Indien een gepensioneerde ingevolge het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6, tweede lid, 11 en 12 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de kosten van een verstrekking als bedoeld in de artikelen 6 en 11 van die wet of een vergoeding als bedoeld in de artikelen 11 en 12 van die wet, zijn burgemeester en wethouders bevoegd het pensioen tot ten hoogste het bedrag van die bijdrage in plaats van de gepensioneerde zonder diens machtiging uit te betalen aan de Ziekenfondsraad.
**3..** Indien het bepaalde in het tweede lid toepassing vindt, heeft de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte van het pensioen, dat niet aan het in het tweede lid bedoelde orgaan wordt uitbetaald.
**4..** Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de belanghebbende, aan wie uitkering is toegekend, met betrekking tot die uitkering.
HOOFDSTUK VIII
Artikel 55