Voor de gewezen en de gepensioneerde wethouders, alsmede voor hun weduwen en wezen, ten aanzien van wie de artikelen 1 tot en met 4, 7, 8, 11, aanhef en onder b, en 12 tot en met 16 van de Uitkerings- en pensioenverordening 1956 niet van toepassing zijn, doch ten aanzien van wie de daarmede overeenkomende bepalingen van de wethouders pensioenverordening 1936 (Verz. 1937, no. 24) van kracht zijn gebleven, geldt deze verordening met dien verstande, dat in plaats van de bepalingen in de hoofdstukken II, III, IV en V de daarmede overeenkomende bepalingen van laatstgenoemde verordening gelden.
HOOFDSTUK IX
Artikel 63