Uitgangspunt van de gemeentelijke gedragscode ter voorkoming en bestrijding
van rassendiscriminatie op de werkvloer - hierna te noemen gedragscode
- is het beginsel neergelegd in artikel 1 van de grondwet. Hierin wordt
gesteld dat allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk
worden behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging,
politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet
toegestaan en valt onder het begrip plichtsverzuim.
Onder directe discriminatie wordt verstaan het maken van onderscheid in
de benadering of behandeling van mensen op basis van etnische gronden.
Onder indirecte discriminatie wordt verstaan het opleggen van eisen of
restricties aan een groep mensen met als gevolg dat een substantieel kleiner
deel van een bepaalde etnische groep aan die eisen of restricties kan
voldoen dan gemiddeld van de gehele groep zonder dat daarvoor een objectieve
rechtvaardigingsgrond aanwezig is.
De werking van de gedragscode strekt zich primair uit tot de gemeente als
arbeidsorganisatie. De gedragscode is opgesteld om te bevorderen dat in
het gemeentelijk personeelsbeleid het in het eerste lid genoemde beginsel
ten uitvoer wordt gebracht of dat werknemers duidelijkheid wordt verschaft
hoe het bewust of onbewust discrimineren kan en dient te worden voorkomen.
De code richt zich op:
het concretiseren van het non-discriminatiebeginsel;
het recht doen aan het gelijke-kansen-principe ten
aanzien van gemeentelijke werknemers en potentiële werknemers;
de multi-culturele bedrijfsvoering van de gemeente.
De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het in het eerste lid genoemde
uitgangspunt ligt bij burgemeester en wethouders. Zij zijn verantwoordelijk
voor de bevordering van de aanstelling van achterstandsgroeperingen, het
ontwikkelen van een anti-discriminatiebeleid, het voorkomen van achterstelling
van minderheidsgroeperingen en het optreden van racistisch gedrag.
Burgemeester en wethouders verplichten zich tot openbare bekendmaking van
de gedragscode. Het gemeentepersoneel wordt op de hoogte gesteld en gehouden
van de inhoud van de gedragscode en waar nodig geïnstrueerd bij de toepassing
ervan.
De werking van de gedragscode wordt na drie jaar door burgemeester en wethouders
geëvalueerd.
Hoofdstuk
Artikel 1
Algemeen
Onderdeel van Gedragscode ter voorkoming en bestrijding van rassendiscriminatie op de werkvloer