Lid 1
De ambtenaar zal als gevolg van de melding van een vermoeden van een misstand geen nadelige gevolgen ondervinden voor zijn rechtspositie. Onder nadelige gevolgen worden in ieder geval verstaan besluiten tot:
het verlenen van ongevraagd ontslag;
het niet verlengen van een aanstelling voor bepaalde tijd;
het niet omzetten van een aanstelling voor bepaalde tijd in een vaste aanstelling;
de opgelegde benoeming in een andere functie;
het treffen van disciplinaire maatregelen;
het onthouden van salarisverhoging, incidentele beloning of toekenning van vergoedingen;
het onthouden van promotiekansen en
het afwijzen van een verlofaanvraag,
voor zover deze besluiten worden genomen vanwege de door de ambtenaar gedane melding van een vermoeden van een misstand.
Lid 2
Het college draagt er zorg voor dat de melder ook anderszins bij de uitoefening van zijn functie geen nadelige gevolgen van de melding ondervindt.
Lid 3
Het bepaalde in lid 1 en 2 van dit artikel geldt ook voor de ambtenaar die te goeder trouw een vermoeden van een misstand meldt in een andere organisatie dan die van de gemeente, volgens een bij die organisatie geldende regeling. De bescherming geldt alleen als de ambtenaar
uit hoofde van zijn functie met die andere organisatie samenwerkt of heeft samengewerkt;
uit hoofde van zijn functie kennis heeft verkregen van de vermoede misstand;
het vermoeden van de misstand tijdig bij zijn leidinggevende heeft gemeld;
zich heeft gehouden aan de afspraken die ter zake van deze melding met hem zijn gemaakt door het college.