Afspraken van persoonlijke aard, zoals bijvoorbeeld bezoek aan huisarts, specialist of tandarts, dienen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is buiten de werktijd of tijdens de pauze van de medewerker gepland te worden. Alleen indien dit niet mogelijk blijkt noch redelijkerwijs met toepassing van het tweede lid van artikel 7 kan worden opgevangen, kan de daarmee gemoeide tijd in overleg met de leidinggevende als gewerkte tijd worden aangemerkt.