De tijd die gemoeid is met dienstreizen, wordt aangemerkt als werktijd met dien verstande dat de tijd waarmee de gebruikelijke werktijd op betreffende dag overschreden wordt, niet wordt gecompenseerd.
In het geval de duur die met een dienstreis is gemoeid, minder bedraagt dan de voor betreffende dag gebruikelijke werktijd, wordt de resterende werktijd op dezelfde dan wel op een andere dag alsnog ingevuld.