De deelnemer mag vrij beschikken
over een bedrag op de spaarloonrekening nadat dit
sedert de storting 48 maanden ononderbroken op de rekening heeft gestaan;
indien de dienstbetrekking eindigt en de spaartermijn
van 48 maanden nog niet is verlopen: over een bedrag dat overeenkomt met
het door de deelnemer opgebouwde saldo. Het bedrag wordt door de spaarinstelling
overgemaakt naar de werkgever die het vervolgens na aftrek van de sociale
premies en belastingen uitbetaalt aan de (gewezen) deelnemer;
over een bedrag op de spaarloonrekening indien de
opgenomen gelden worden besteed ten behoeve van een van de bestedingsdoeleinden
als bedoeld in artikel 6.
Het bepaalde in het eerste lid onder a en b is na overlijden van de deelnemer
van overeenkomstige toepassing op diens erfgenamen.
In de gevallen waarin op grond van het bepaalde in het eerste lid onder
b en c over het spaarloon wordt beschikt, moet ten genoegen van de spaarinstelling
bewijs worden geleverde van de relevante feiten.
Het opnemen van spaarloon in verband met bestedingen als bedoeld in het
eerste lid onder c kan ten hoogste twee keer per kalenderjaar gebeuren.
De deelnemer kan vrij beschikken over de door de spaarinstelling vergoede
rente over het spaarloon.
Spaarloon waarover door de deelnemer of zijn erfgenamen in strijd met deze
regeling wordt beschikt, waaronder begrepen beschikkingen als gevolg van
verhaalsuitoefening door derden, faillissement dan wel wettelijke schuldsanering,
worden aangemerkt als loon niet zijn spaarloon. In situaties als hier
bedoeld wordt het betreffende bedrag ten laste van de spaarloonrekening
teruggeboekt naar de werkgever.