Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 5

Opname

Onderdeel van Spaarloonregeling

De deelnemer mag vrij beschikken over een bedrag op de spaarloonrekening nadat dit sedert de storting 48 maanden ononderbroken op de rekening heeft gestaan; indien de dienstbetrekking eindigt en de spaartermijn van 48 maanden nog niet is verlopen: over een bedrag dat overeenkomt met het door de deelnemer opgebouwde saldo. Het bedrag wordt door de spaarinstelling overgemaakt naar de werkgever die het vervolgens na aftrek van de sociale premies en belastingen uitbetaalt aan de (gewezen) deelnemer; over een bedrag op de spaarloonrekening indien de opgenomen gelden worden besteed ten behoeve van een van de bestedingsdoeleinden als bedoeld in artikel 6. Het bepaalde in het eerste lid onder a en b is na overlijden van de deelnemer van overeenkomstige toepassing op diens erfgenamen. In de gevallen waarin op grond van het bepaalde in het eerste lid onder b en c over het spaarloon wordt beschikt, moet ten genoegen van de spaarinstelling bewijs worden geleverde van de relevante feiten. Het opnemen van spaarloon in verband met bestedingen als bedoeld in het eerste lid onder c kan ten hoogste twee keer per kalenderjaar gebeuren. De deelnemer kan vrij beschikken over de door de spaarinstelling vergoede rente over het spaarloon. Spaarloon waarover door de deelnemer of zijn erfgenamen in strijd met deze regeling wordt beschikt, waaronder begrepen beschikkingen als gevolg van verhaalsuitoefening door derden, faillissement dan wel wettelijke schuldsanering, worden aangemerkt als loon niet zijn spaarloon. In situaties als hier bedoeld wordt het betreffende bedrag ten laste van de spaarloonrekening teruggeboekt naar de werkgever.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel