De volgens artikel 2 vastgestelde duur van het vakantieverlof wordt verhoogd:
over het kalenderjaar, waarin de ambtenaar de leeftijd van 30 jaar bereikt, met 7,2 uur;
over het kalenderjaar, waarin de ambtenaar de leeftijd van 35 jaar bereikt, met 14,40 uur;
over het kalenderjaar, waarin de ambtenaar de leeftijd van 40 jaar bereikt, met 21,60 uur;
over het kalenderjaar, waarin de ambtenaar de leeftijd van 45 jaar bereikt, met 28,80 uur;
over het kalenderjaar, waarin de ambtenaar de leeftijd van 50 jaar bereikt, met 36,00 uur;
over het kalenderjaar, waarin de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar bereikt, met 43,20 uur.
Op 1 januari van elk kalenderjaar wordt belanghebbende voor de toepassing van deze bepaling geacht de leeftijd te hebben bereikt, die op die dag of in de loop van dat kalenderjaar wordt bereikt.