Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 17

Aanvulling levensonderhoud jongeren

Onderdeel van Richtlijnen bijzondere bijstand 2011

Een belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op bijzondere bijstand voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan van belanghebbende uitgaan boven de bijstandsnorm en voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op de ouders, omdat de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn of de belanghebbende redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens de ouders niet te gelde kan maken. Bijzondere bijstand wordt slechts dan verleend indien de jongere beschikt over zelfstandige huisvesting én zelfstandige huisvesting noodzakelijk is. De aanvullende bijzondere bijstand bedraagt het verschil tussen de norm voor een alleenstaande (ouder) van 21 jaar of ouder en de norm voor een alleenstaande (ouder) van 18,19 of 20 jaar. In geval van gehuwden die beide jonger zijn dan 21 jaar wordt de hoogte van de bijzondere bijstand gerelateerd aan de norm voor gehuwden waarvan 1 persoon jonger is dan 21 jaar. Er kan bijzondere bijstand worden verleend met toepassing van artikel 16 van de wet ten behoeve van het kind van een alleenstaande ouder die minderjarig is. De bijstand bedraagt het verschil tussen de norm van een alleenstaande van 21 jaar en die van een alleenstaande ouder van 21 jaar per maand. De bijstand wordt beëindigd op het moment dat de minderjarige alleenstaande ouder 18 jaar wordt. De aanvraag dient ingediend te worden door de grootouders van het kind of ambtshalve te worden toegekend. Als de persoon geen recht heeft op een inkomensvoorziening ingevolge artikel 21 sub b (intrekking werkleeraanbod) en artikel 22 lid 1 (uitsluiting werkleeraanbod) van de Wet investeren in jongeren, is er geen recht op bijzondere bijstand. Bij het niet tot standkomen van een werkleeraanbod om andere redenen is er dus wel grond om te onderzoeken of er een aanvulling levensonderhoud moet worden toegekend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel