In het eerste lid is geregeld op welke wijze de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a - dat is de belasting voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen - wordt geheven. Deze wordt geheven door voldoening op aangifte.
Voor de volledigheid bepaalt de slotzin van het eerste lid dat als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het in werking van de parkeerapparatuur op de voorgeschreven wijze. Deze bepaling komt overeen met de in artikel 234, tweede lid, onderdeel a, van de Gemeentewet opgenomen mogelijkheid voor het voldoen op aangifte. Ook het via de telefoon inloggen bij de centrale computer van het bedrijf waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten (zie artikel 1, onderdelen k en l) wordt als het in werking stellen van parkeerapparatuur aangemerkt. In feite wordt de voldoening op aangifte gestart op het moment dat wordt ingelogd en voltooid op het moment dat wordt uitgelogd.
Het tweede lid regelt de wijze van heffing voor de parkeerbelasting voor het parkeren krachtens een parkeervergunning. Deze belasting wordt ook geheven door voldoening op aangifte. Daarmee is de 'echte' voldoening op aangifte bedoeld en niet de voldoening op aangifte bij wetsduiding (het in werking stellen van de parkeerapparatuur).
Op grond van artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet is geen bezwaar mogelijk tegen voldoening van parkeerbelasting op aangifte. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch, 5 oktober 2007, nr. 05/00120, LJN: BC0988. Alleen als de wettekst niet duidelijk is kunnen doel en strekking, zoals deze uit de wetsgeschiedenis blijkt, bij de beoordeling worden betrokken. Bezwaren tegen voldane parkeerbelasting zijn niet-ontvankelijk.
Hoofdstuk
Artikel 5
Wijze van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2013