Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2. › AFDELING 8.

Artikel 2.28a

Weigeringsgronden

Onderdeel van Tweede wijziging Algemene plaatselijke verordening Wageningen 2010

1.. De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie van de openbareinrichting in strijd is met het geldend bestemmingsplan. 2.. In afwijking van dan wel aanvullend op artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Daarbij houdt de burgemeester rekening met: het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal zijn gelegen; de aard van de openbare inrichting; de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting; de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied; de wijze van bedrijfsvoering van de beheerder van de inrichting in deze of in andere inrichtingen; de wijze van exploitatie van de inrichting in het verleden, voor zover de ondernemer onveranderd is gebleven; het levensgedrag van de beheerder. 3.. De burgemeester weigert de vergunning indien: de inrichting en/of de beheerder niet voldoet aan de aan de vergunning(aanvraag) verbonden voorschriften; de inrichting niet voldoet aan de volgende inrichtingseisen: van ieder punt van een lokaliteit uit moet bij voortduring een deel van de lokaliteit met een oppervlakte van ten minste 15 m2 kunnen worden overzien; de lokaliteit moet een zodanige kunstlichtvoorziening hebben dat de gemiddelde horizontale verlichtingssterkte, gemeten op 1 meter boven de vloer, over de gehele oppervlakte ten minste 50 lux bedraagt; de inrichting moet zijn voorzien van ramen met een zodanige oppervlakte dat voldoende daglichttoetreding is gewaarborgd, met dien verstande dat het raamoppervlak tenminste gelijk moet zijn aan die oppervlakte die in het Bouwbesluit ten aanzien van verblijfsgebieden in woningen wordt gesteld; de ramen van de inrichting moeten zijn bezet met blank doorzichtig glas, waarvan ten hoogste 20% mag zijn bedekt met materiaal dat daglichttoetreding verhindert;

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel