Lid 1
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de op de verbeelding als Waarde – archeologie 2 aangewezen gronden die, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd zijn voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden te wijzigen, indien het op grond van archeologisch onderzoek is gebleken dat het bestemmingsplan ter plaatse in verdere bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
Lid 2
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de op de verbeelding als Waarde – archeologie 2 aangewezen gronden die, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd zijn voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden te wijzigen of geheel of gedeeltelijk van de verbeelding te verwijderen, indien:
a. uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn of zich op een andere plaats bevinden;
b. het op grond van archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
Hoofdstuk 8 › Paragraaf 8.3
Artikel 8.3.4
Wijzigingsbevoegdheid
Onderdeel van Nota archeologiebeleid