In deze verordening wordt verstaan onder:
markt: de door het college ingestelde warenmarkt die plaatsvindt op de,
bij of krachtens artikel 3 vastgestelde dag, tijd en plaats;
standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor
het uitoefenen van de markthandel;
vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter
beschikking is gesteld aan een vergunninghouder;
dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld
aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste standplaats is
toegewezen dan wel ingenomen;
standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek om zich
heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting
probeert over te halen tot de aankoop van één of meer stuks van één
artikel;
standwerkerplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt
gesteld om te standwerken;
vergunninghouder: degene aan wie door het college vergunning is verleend
voor het innemen van een standplaats;
wachtlijst: de lijst van gegadigden voor een vaste standplaats;
vergunninghouderslijst: de lijst van vergunninghouders van een vaste
standplaats;
marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het
college;
kramenzetter: degene aan wie op grond van artikel 26 toestemming tot het
plaatsen van kramen op de markt is verleend;
marktcommissie: een commissie van advies, ingesteld op grond van artikel
4.
branche-indeling: de indeling in artikelgroepen en het aantal
vastgestelde vaste plaatsen per artikelengroep;
plaatsverbeteringslijst: de lijst van gegadigden voor een verbetering
van de vaste standplaats;
levenspartner: de persoon met wie de vergunninghouder met het oogmerk
duurzaam samen te wonen een gemeenschappelijke huishouding voert;
voertuig: vervoermiddel voor vervoer over land van personen en goederen,
niet zijnde een caravan of verkoopwagen.