Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK VI › Paragraaf 3

Artikel 66

Nabestaandenuitkering

Onderdeel van Uitkering- en pensioenverordening gewezen wethouders Oss

1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerde wethouder wordt aan diens nabestaanden, van wie hij niet duurzaam gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van zijn pensioen over een tijdvak van twee maanden (nabestaandenuitkering). Bij ontstentenis van een nabestaanden van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en opvoeding van het kind, al was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Indien de overleden gepensioneerde geen betrekkingen als bedoeld in het vorige lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing in geval van vermissing van een gepensioneerd wethouder. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen verstaan het bedrag waarop de overledene recht had, eventueel na toepassing van hoofdstuk V.

Rechtspraak bij dit artikel